Janny de Kok stopt na bijna zestien jaar als vrijwilliger bij Stichting Mentorschap. Ze begon destijds als mentor en werd later regio-ondersteuner in Utrecht. Nu, op haar 72ste, is voor Janny uit Maarssenbroek het boek uit. ‘Het was een goed boek met tal van leuke hoofdstukken.’
Janny werkte tot de zomer van 2011 als psycholoog. Eerst lange tijd in dienst van een hr-afdeling van een zakelijke dienstverlener, en later als zzp’er. Toen het werk voorzichtig opdroogde en er bij haar ruimte ontstond voor vrijwilligerswerk kwam zij na wat googlen in contact met Stichting Mentorschap. Het idee van het helpen van mensen, het verschil voor hen maken, en er zelf toe doen sprak haar zeer aan.
Na het voltooien van de basiscursus voor mentoren kon Janny meteen aan de slag. Voor haar eerste cliënt moest zij naar een zorginstelling in Bilthoven. Haar entree daar veroorzaakte wat verwarring, omdat het behandelteam in de veronderstelling was dat de cliënt al een mentor had. Dat bleek iemand te zijn die als een buddy optrad, maar geen officiële mentorrol had.
Geestig
Janny’s tweede cliënt diende zich al snel aan. In Houten was een dolende, demente Britse man opgevangen en naar huis gebracht. Omdat Janny goed Engels spreekt (‘vanwege mijn werk destijds’) werd zij aan hem gekoppeld. Met de man had Janny uiteindelijk vier jaar lang een leuk contact. ‘Hij was goed aanspreekbaar en bijzonder geestig, met veel Engelse understatements. Het grappige was ook, dat hij een andere naam voor mij had bedacht: Mildred. Dat vond hij kennelijk beter bij mij passen…’, herinnert Janny zich.
Toen de thuiszorg haar een keer belde met de vraag of zij boodschappen voor haar Britse cliënt kon doen, antwoordde Janny gedecideerd: ‘Dat doe ik niet, daar is een mentor niet voor. Om het scherp te stellen zei ik dan: een mentor beslist alles, maar doet niets, uitzonderingen daar gelaten.’ Dat was bijvoorbeeld die keer dat zij met hem mee moest naar het ziekenhuis, omdat hij zijn heup had gebroken na een glijpartij in de douche. ‘Er waren geen anderen die hem konden vergezellen. Bovendien was het handig dat ik zijn taal goed sprak. Uiteindelijk ben ik daar een dag mee zoet geweest in het ziekenhuis. Er waren helaas complicaties bij hem. Drie dagen later overleed hij.’
Aankloppen
Stichting Mentorschap had ondertussen Janny gevraagd of zij ook regio-ondersteuner van mentoren wilde worden. ‘Ik denk dat ze die functie vanwege mijn beroep en achtergrond wel iets voor mij vonden. Ik wilde het graag doen, waardoor ik de steun en toeverlaat werd van 26 mentoren in de regio Utrecht. Heel boeiend en nuttig werk. Als de mentoren ergens mee zaten in de begeleiding van hun cliënt, dan konden ze bij mij aankloppen om het te bespreken.’
Zij organiseerde ook regiobijeenkomsten voor de mentoren om bepaalde zaken op een intervisie-achtige manier te bespreken. ‘Ik had een vrij vaste club. De eeuwige vraag die op tafel kwam, ging over de taken van een mentor. Wat behoort wel en niet tot ons takenpakket? In veel gevallen was daar dus onzekerheid over’, vertelt Janny. Zij zei dan, dat als bepaalde taken in strikte zin niet bij het mentorschap hoorden, ze wel gedaan mochten worden als iemand zich er prettig bij voelde of geen bezwaar tegen had.
Reclame
Wanneer Janny aan het eind van dit jaar de deur als mentor en regio-ondersteuner achter zich dicht trekt, gaat zij niet thuis voorgoed achter de geraniums zitten. Zij blijft nog vrijwillige diensten verlenen in een familiair verzorgingshuis in Maarssen-Dorp. Verder wacht een online studie over kunst en cultuur aan de Vrije Academie. En als het zo uitkomt zal Janny belangeloos reclame maken voor het mentorschap. ‘Dat is zeker nodig. Hoewel niet algemeen bekend, het is belangrijke en betekenisvolle zorgverlening. Ik kan het na bijna zestien jaar weten!’
