Wilma van de Mosselaar is vier jaar mentor van twee vrouwen met een psychiatrische aandoening. Haar jarenlange ervaring als psychiatrisch verpleegkundige komt haar in de begeleiding van deze cliënten goed van pas. ‘Aan de andere kant worstel ik wel eens met mijn twee petten.’
In haar werk als psychiatrisch verpleegkundige in de ambulante zorg maakte Wilma (68) uit Schoorl kennis met mentoren die haar patiënten begeleidden. ‘Dat waren beroepskrachten, geen vrijwilligers die wij bij Stichting Mentorschap zijn. Voor mij stond toen vast dat ik graag na mijn pensionering mentor wilde worden. Ik zag hoe belangrijk zo’n wettelijk vertegenwoordiger is voor mensen die bijna niemand hebben. Vervolgens ben ik mij gaan oriënteren. Ik wilde als vrijwilliger aan de slag en kwam vervolgens uit bij de stichting’, zegt Wilma.
Belevingswereld
Een van haar twee cliënten is een bejaarde vrouw van 86 jaar die in een woonzorgcentrum in Alkmaar verblijft. Zij heeft een psychiatrische kwetsbaarheid, waardoor zij zeer achterdochtig is en bovendien aan waanvoorstellingen lijdt. Wilma bezoekt deze vrouw een keer per twee weken. ‘Ik voel mij hier een brug tussen mijn cliënt en de zorg, omdat er veel te bespreken is in de zorg voor deze vrouw.’
Wilma overlegt met het zorgteam over de behandeling van de psychose waaraan haar cliënt lijdt. Met de ervaring die Wilma heeft, lijkt het haar niet wenselijk om de vrouw psychosevrij te krijgen. ‘Dan verliest zij haar belevingswereld, waaraan zij zich nu vastklampt.’ Het zijn soms complexe gesprekken met het behandelteam, waarbij Wilma’s ‘pettenprobleem’ zichtbaar wordt. ‘Ik ben mentor met toevallig veel ervaring in de psychiatrie. Ik moet dus wat schipperen met mijn kennis.’ Gezien de conditie van haar client zitten sociale activiteiten met haar er niet in, zegt Wilma.
Afweging maken
Dat is anders bij haar tweede cliënt. Dat is een vrouw van 56 jaar met een verstandelijke beperking en ook een psychiatrische kwetsbaarheid. ‘Zij houdt van wandelen, maar mag dat niet alleen. Dus gaan we samen elke veertien dagen een uur lopen.’
In haar geval was er, bij toeval, contact met haar bejaarde vader. Hij vertelde dat de zus van Wilma’s cliënt was overleden maar dat hij niet wilde dat zijn dochter naar de uitvaart kwam. Tot verbijstering van Wilma lieten de ouders weten niks te maken willen hebben met hun dochter. ‘Haar vader zei: bel mij maar weer als zij dood is. Vreselijk. Ik moest toen als mentor de afweging maken: ga ik mijn cliënt vertellen dat haar zus overleden is? Uiteindelijk leek het mij, in samenspraak met het begeleidingsteam in de instelling, beter voor haar gemoedsrust om dat niet te doen. Het was een heel moeilijke beslissing.’
Wilma is vastbesloten om mentor van niet meer dan twee cliënten te blijven tot het, om wat voor reden, niet meer gaat. ‘Ik kan het mentorschap iedereen aanraden. Je kunt iets waardevols betekenen voor mensen die niemand anders hebben. En wat ik stiekem hoop is, dat ook meer jonge mensen zich aangetrokken gaan voelen tot dit vrijwilligerswerk.’
