A

Historie


Ontstaan

Het is gestart als project met het doel de mogelijkheden te onderzoeken voor het oprichten van een Stichting Mentorschap voor een brede doelgroep.

Uit onderzoek is gebleken dat er een groeiende behoefte is aan de oprichting van een Stichting Mentorschap in het werkgebied Noord-, Midden- en Zuid-Kennemerland, Kop van Noord-Holland en Oostelijk West-Friesland.

Vanuit het ministerie van VWS werd de oprichting en de vormgeving van de Stichting ondersteund d.m.v. toekenning van een stimuleringssubsidie voor het jaar 2006.

Aanleiding
Esdégé-Reigersdaal, zorgaanbieder voor mensen met een beperking, en de Federatie van Ouderverenigingen (FvO) hebben aan MEE Noordwest-Holland gevraagd om te onderzoeken op welke wijze wettelijke vertegenwoordigers oftewel mentoren ingezet kunnen worden. Ook is onderzocht of zorginhoudelijke vertegenwoordiging geboden dient te worden door een onafhankelijke instelling of persoon. Hierna wordt in de tekst gesproken over de mentor.

De vraag om te onderzoeken op welke wijze het mentorschap geboden kan worden door een onafhankelijke instelling of persoon komt voort uit een aantal veranderingen in de samenleving, signalen en vragen.

Het huidige beleid in de zorg is gericht op maximale zelfbeschikking van de zorgvrager, deze moet in staat worden gesteld om de regie over zijn leven te houden. Meestal worden zij vertegenwoordigd door familie. Deze mensen zijn, door lichamelijke of geestelijke oorzaak, niet goed in staat voor hun belangen op te komen. Zij zijn juridisch wilsonbekwaam.

Er is een groeiende groep mensen in onze samenleving die zijn eigen belangen niet of onvoldoende kan behartigen en waarbij onder andere door vergrijzing geen vertegenwoordiger is vanuit de familiekring of uit het eigen netwerk.

Wanneer geen familieleden de belangenbehartiging of vertegenwoordiging op zich wil of kan nemen of wanneer de cliënt dit zelf niet wil, zijn we bij de vraag beland van Esdégé-Reigersdaal en de Federatie van Ouderverenigingen (FvO).

Wanneer er geen belangenbehartiger is, moet de hulpverlener zijn eigen hulpverlening beoordelen, dit doet hij op grond van zijn professionele handelen. De hulpverlener kijkt op een dergelijk moment naar persoonlijke-, organisatie-, hulpverleningsbelangen en naar de belangen van de cliënt. Dit is vanwege het risico van belangenverstrengeling geen wenselijke situatie. Een mentor van buiten de organisatie is daarom noodzakelijk.